See also Leiden.nl and it's wikipedia entry.
Leiden, gemeente in Nederland, prov. Zuid-Holland, 23, 26 km2, met 116 200.

Leiden is vanouds een industriestad, bekend om haar textielindustrie (laken; sinds de middeleeuwen), en ook heden neemt de industrie nog een belangrijke plaats in; ook de metaalindustrie is van groot belang. Wereldfaam verwierf de grafische industrie (oosterse drukken). Naast de industriële is de dienstverlenende sector in de laatste decennia sterk naar voren getreden: in deze sector speelt de aanwezigheid van de Rijks Universiteit Leiden (gesticht 1575) een overheersende rol (materiële verzorging personeel en studenten; samenhangende instellingen als Academisch Ziekenhuis). De markt- en verzorgingsfunctie van de stad is vooral gericht op een deel van de bollenstreek en het oostelijk veen- en kleigebied van Zuid-Holland. Leiden is uitgegroeid tot de derde veemarkt van Nederland. In 1969 werd de veemarkt verplaatst naar de Groenoordhallen; daarnaast zijn er markten voor zuivelproducten (kaas), bloemen, groente en fruit en een omvangrijk winkelapparaat. Leiden en haar directe omgeving (gemeenten Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten, Zoeterwoude) heeft ook een belangrijke woonfunctie voor een deel van de bevolking dat wegens stagnatie in de economische ontwikkeling werkgelegenheid buiten de stad heeft gezocht, m.n. in 's-Gravenhage. Het Hoogheemraadschap Rijnland heeft zijn zetel in het Gemeenlandshuis van Rijnland te Leiden. Er zijn een schouwburg, stadsgehoorzaal en diverse theaters.
De stad herbergt een groot aantal musea, w.o. het Rijksmuseum van Oudheden, het Nationaal Natuurhistorisch Museum, het Rijksmuseum Het Koninklijk Penningkabinet en het Rijksmuseum voor Volkenkunde (collectie kunst- en gebruiksvoorwerpen uit de gehele wereld); voorts zijn er het Anatomisch Museum (belangrijke, ca. 300 jaar oude verzameling), het natuurwetenschappelijk en geneeskundig Museum Boerhaave, het Stedelijk Museum De Lakenhal (stedelijke historie; schilderijen uit de 16de tot 20ste eeuw), het Stedelijk Molenmuseum De Valk (stenen stellingkorenmolen) en het Modelbouwmuseum. Het Pijpenkabinet bevat een unieke collectie tabakspijpen. Het Wagenmakersmuseum is gevestigd in het pand van een voormalige wagenmakerij. Verbonden aan de Rijks Universiteit zijn het Academisch Historisch Museum (collectie betreffende universitaire geschiedenis en studentenleven), het Prentenkabinet en de Hortus Botanicus, gesticht in 1590 en daarmee een van de oudste in Europa. De collectie van de Hortus is speciaal gericht op soorten uit Azië; in de Clusiustuin een reconstructie van de eerste beplanting uit 1594. Het gemeentearchief hoort tot de compleetste in Nederland; annex de Leidse Pilgrim Collectie (collectie in samenhang met verblijf Engelse Separatisten [Pilgrim Fathers] 1609-1650). Jaarlijks zijn er op 2 en 3 okt. festiviteiten ter herdenking van het Ontzet van Leiden in 1574 (Drie-oktoberfeesten). Park De Leidse Hout (16 ha).
De historische binnenstad heeft met haar oude grachten, talrijke hofjes en verschillende monumentale bouwwerken een zeer boeiend aanzien.
De oudste parochiekerk, de Pieterskerk (1121-1565), is een laat-gotische kruisbasiliek, gewijd aan de schutspatroon van de stad (vandaar de sleutels in het stadswapen). De huidige bouw stamt uit het eerste kwart van de 15de eeuw. De toren aan de westzijde is in 1512 ingestort en niet herbouwd. Het gebouw meet inwendig 81 m, het dwarsschip 56 m. Het gebouw wordt beheerd door de Stichting Pieterskerk Leiden; in het interieur bevinden zich diverse graf-, rouw- en andere monumenten, w.o. een wit marmeren gedenkteken voor Johan à Kerchove (1663; door Rombout Verhulst) en gedenkstenen voor o.m. Boerhaave, Arminius, Jan Steen en Snellius; voorts laat-gotische preekstoel (ca. 1525) en monumentaal 17de-eeuws Hagerbeer orgel met meer dan 3500 pijpen.
Op het zgn. Hogeland staat de Hooglandse of St.-Pancraskerk (15de-16de eeuw; gerest. eind jaren zeventig), eveneens sinds de Hervorming protestants; in het interieur o.m. het grafmonument van burgemeester Pieter Adriaansz. van der Werff. Aan de Mare ligt de als hervormd bedehuis gebouwde Marekerk (1639-1649) met achthoekige plattegrond en hoogopgaande middenruimte, waarvan de koepel een apart accent aan het stadssilhouet geeft. De laat-gotische Lodewijkskerk of Saaihal, oorspronkelijk kapel van het St.-Jacobsgasthuis, werd in 1956-1957 gerestaureerd en vergroot. Bekende hofjes zijn Hof Meermansburg aan de Oude Vest (gesticht 1681), met in de Regentenkamer het Pijpenkabinet, het Annahofje aan de Hooigracht (1492; met kapelletje), het Hofje van Broekhoven aan de Papengracht (1640), Het Loridans-, het Jean Pesijns- en het Tevelingshofje en het Hofje van Eva van Hoogeveen (alle tweede helft 17de eeuw).

Van de verdedigingswerken resteert de merkwaardige Burcht (vermoedelijk 12de eeuw; gerest. 1970), op een 12 m hoge kunstmatige heuvel; toegang tot de burcht verleent een poortje uit 1658 in de Burgsteeg. Het Academiegebouw aan het Rapenburg, het hoofdgebouw van de universiteit, werd in het begin van de 16de eeuw gebouwd als kerk van het dominicanessenklooster en in 1670 van een houten torentje voorzien. Van het stadhuis, dat oorspronkelijk dateert uit de 14de eeuw, ca. 1597 door Luder van Bentheim uitwendig werd gemoderniseerd en dat in 1929 door brand werd verwoest, resteert alleen de buitengewoon fraaie renaissancegevel aan de Breestraat; hierachter werd een nieuw stadhuis gebouwd. Het Gravensteen was voorheen grafelijke, daarna stedelijke gevangenis; in de 17de eeuw werd het gebouw vergroot met een tuchthuis en vierschaar. De monumentale Waag (1658) werd met de er achter gelegen Boterhal gebouwd naar ontwerp van Pieter Jansz. Post. De Lakenhal dateert uit 639-1640; in 1921 werd er een moderne vleugel aangebouwd. Voormalig Pesthuis uit 1658-1661.
Het voormalige, ten dele gerestaureerde, Heilige-Geest-Weeshuis is een schilderachtig samenstel van gebouwen uit de 17de en 18de eeuw. Behalve een aantal oude poorten en een 17de-eeuwse fontein (op de Vismarkt) bezit Leiden nog een aantal oude gevels, waaronder die van het Gemeenlandshuis van Rijnland (1597-1598, door Lieven de Key; gerest. 1971), de trapgevels van de voormalige Latijnse school (1600) en van de Stadstimmerwerf (1612; gerest.) en de classicistische gevel van de Bibliotheca Thysiana (1655; gerest.). De neoclassicistische Korenbeurs dateert uit het begin van de 19de eeuw, de schouwburg dateert vnl. uit 1865 (oudste delen 1705, gerest. 1970-1976), de stadsgehoorzaal uit 1890-1891.
De huidige stad Leiden is geen voortzetting van het Romeinse Lugdunum Batavorum, dat waarschijnlijk veel westelijker in de duinstreek moet worden gezocht, en evenmin van het in de 10de eeuw in een goederenlijst van de Utrechtse Dom vermelde Leithon, waarmee het gebied van het ambacht Leiderdorp wordt bedoeld. De oudste woonkern is ontstaan langs de zuidelijke Rijndijk (later de Breestraat), waar vermoedelijk in de 11de eeuw een vluchtheuvel werd opgeworpen die in de volgende eeuw werd verhoogd en voorzien van een ringmuur met woontoren (de Burcht). De oudste omwalling van de stad (Rapenburg en Steenschuur) werd in 1204 aangelegd in de strijd om de opvolging tussen gravin Ada van Holland en haar oom, graaf Willem I. Deze en zijn opvolgers verleenden de plaats voorrechten, die in 1266 door graaf Floris V tot volledige stadsrechten werden afgerond. De stad bleef voorspoedig groeien, vooral door de expansie van de wolnijverheid, waardoor aan het eind van de 13de eeuw tot tweemaal toe, aan de noordzijde en de zuidzijde, een stadsuitbreiding plaats vond.
In de onrustige periode van de 15de eeuw kwam aan de hoge vlucht van de economie een eind. In juni 1572 koos Leiden de zijde van de opstand en maakten de katholieke bestuurders plaats voor protestantse; eind okt. 1573 werd de stad ingesloten door Don Fadrique Alvarez de Toledo. De stad bleef echter, ondanks honger en pest, een jaar standhouden, m.n. door het optreden van militair bevelhebber Johan van der Does, burgemeester Pieter van der Werff en stadssecretaris Jan van Hout. Pas op 3 okt. 1574 werd de stad door een geuzenvloot ontzet en werden de Spanjaarden verdreven.
Op 8 febr. 1575 werd de universiteit gesticht, destijds de eerste in zijn soort van de Noordelijke Nederlanden. Daarna begon een eeuw van spectaculaire bloei. De stad werd een toevluchtsoord voor protestanten uit m.n. de Zuidelijke Nederlanden (zowel Nederlands- als Franstaligen), die een grote impuls gaven aan de textielindustrie en het inwonertal in hoog tempo deden groeien; het grondgebied van de stad werd enkele malen uitgebreid (1596, 1611, 1644, 1659). In tegenstelling tot de stenen muren van de middeleeuwse stad bestonden de buitenste, 17de-eeuwse muren nu uit aarden wallen met bolwerken; daarin kwamen acht stadspoorten waarvan thans alleen de Morspoort en de Zijlpoort resteren. In de Gouden Eeuw was de stad een middelpunt van kunst, cultuur en wetenschap, m.n. van schilder-, teken- en graveerkunst. Aan het eind van de 17de eeuw was de groei echter over haar hoogtepunt heen. In de 18de eeuw volgde teruggang; protectionistische maatregelen die door de Franse overheerser werden ingesteld betekenden het einde van de voor de economie belangrijke vrijhandel. Veel huizen werden gesloopt of raakten in verval en in de 19de eeuw werden de aarden stadswallen afgegraven en zes van de acht stadspoorten gesloopt.